Tekst en foto's 8ste Thomaslezing

Geachte aanwezigen,

Het was in het kasteel van Trakai, in Litouwen, dat ik een paar zomers geleden een tentoonstelling bezocht over Hanze en de Hanzesteden. Laat ik het er meteen eerlijk bij zeggen: die tentoonstelling was zeker niet de reden om het kasteel te bezoeken. Integendeel. Die kreeg je er, als bezoeker, in die periode toevallig gratis bij.
Natuurlijk wist ik al wel het één en ander over de Hanze, maar pas in Litouwen drong tot me door in hoeveel Hanzesteden, of Hanzegebied, ik al was geweest. Stockholm, Riga, Tallinn, Vilnius, Wroclaw, Gdansk, Krakau, Berlijn… Favoriete plekken, een onverklaarbaar ‘vertrouwde’ sfeer, ook al zou ik de steden onderling niet zo makkelijk met elkaar kunnen vergelijken, en zie ik weinig overeenkomst tussen, ik noem nu maar wat, Zwolle en Erfurt, een stad die ik de afgelopen zomer bezocht.
Hoe dan die sfeer te duiden?
Ik zou het alleen op een impressionistische, poëtische manier willen wagen.
Wat mij betreft gaat het om steden die open en uitnodigend lijken, maar alleen op het eerste gezicht. Er hangt iets geheimzinnigs in de lucht, het zweeft boven het water en zo lang de zon schijnt is deze magie te ijl, te etherisch om haar eenvoudig te kunnen ‘betrappen’ - maar bij grijs weer, of wanneer de schemer invalt, is ze prominent aanwezig. Echo’s van snelle voetstappen, paardenhoeven, wapperende mantels, karren die voort ratelen over keien. Zelfs daar waar allang geen keien meer liggen. Het gerinkel van munten, van dukaten in fluwelen zakken, het rollen van wijnvaten, en achter de hoge gevels van de hoge herenhuizen: het volschenken en klinken van grote kelken, het tinkelende geluid van bestek tegen duur servies. En overal in om het even welke Hanze-binnenstad: het gefluister van zakenlieden die een goede deal met elkaar sluiten, bij een pakhuis, in een nauw, donker steegje of buiten bij een herberg, ergens aan de kade van een rivier.
De handel is er al lang niet meer. Ten minste, niet op die manier.
Veel oude Hanzesteden ademen juist een soort statige, veilige, degelijke, soms zelfs ietwat oubollige rust. Terwijl er dus tegelijkertijd, in vlagen, die geest van bedrijvigheid rondwaart, onaangetast door de eeuwen, en het er de schijn van kan hebben dat de handelaren, de tussenpersonen, de juristen, de ambachtslieden en de arbeiders van weleer vergeten zijn om echt volledig dood te gaan. Alsof ze het daarvoor te druk hadden, alsof ze nog teveel wilden ontdekken en meemaken en doen.
Toch is het niet alleen die bedrijvigheid van het onderlinge handeldrijven die je soms kunt voelen, en die fascineert. Immers, die geest, die ‘spirit’ is op veel meer plekken in Europa te beleven. Denk aan de tastbare, rijke herinneringen aan de Gouden Eeuw, zoals die nog zo duidelijk zichtbaar zijn aan de Amsterdamse grachten. Wat de Hanze kenmerkt is niet zozeer een pre-kapitalistische ondernemingszin, waarin het aldoor ging om méér, groter, duurder, om mooier en exotischer en waarin men graag modes volgde, of nog liever zelf een trotse trendsetter was, maar veeleer een soort broederlijkheid die helaas op die manier nooit echt is voortgezet. Althans niet in het economische leven. Uiteraard zijn er in de afgelopen eeuwen talloze handelsverdragen afgesloten, en de laatste decennia is zeker Europa een economische eenheid-in-verscheidenheid geworden – maar daarbij wordt dit dan toch vaak gepresenteerd als een noodzakelijk kwaad.
“We moeten wel.” Ook daar waar de voordelen driftig worden opgesomd (of: juist daar…) klinkt er soms toch iets van spijt in door. De vrije markteconomie kan nu eenmaal geen recht doen aan lokale en regionale tradities, specialiteiten, voorkeuren en smaken, het mondiale concurrentiespel moet op het hoogste niveau gespeeld kunnen worden, met Amerika en de opkomende BIC-economieën als keiharde tegenspelers, en dan is er nog de consument zelf, die zijn luxeartikelen het liefste overal vandaan haalt, maar wel tegen de meest schappelijke prijs. Kijk, en dat kan alleen gewaarborgd worden door een sterk Europa, met een sterke Europese wetgeving die nationale belangen overstijgt. Het gevolg: meer ruimte en dus macht voor grote banken en multinationals en eerst al voor hun lobbyisten en fiscalisten, die precies weten hoe het zit met de verschillende afzetmarkten en het vestigingsklimaat in de verschillende landen en hun handige, objectieve rekensommen niet zelden presenteren met de allure van grote weldoeners, die in één moeite door ook nog tal van nieuwe arbeidsplaatsen creëren… “Of wilt u soms een braindrain?”
Om misverstanden te voorkomen: ik ben geen tegenstander van Europa.
Nee, ik chargeer het beeld nu moedwillig, of benader het wat eenzijdig, om het contrast met die eerder beschreven geest van de Hanze wat scherper te krijgen. Een geest, een sfeer waarin gezonde concurrentie zeker ook een rol speelde, maar dan nooit zonder een geest van broederschap. Van ontmoeting. Van uitwisseling. Van verdragen waarmee men niet alleen de eigen rechten zo goed mogelijk beschermde, maar ook, ik vermoed grotendeels uit vrije wil, de rechten van de andere partijen wilde veiligstellen. Misschien niet uit pure naastenliefde - maar het ‘welbegrepen eigenbelang’ werd destijds, in die Hanze, minder gevoed door achterdocht en wantrouwen dan vandaag de dag vaak het geval lijkt te zijn.
U zult het met me eens zijn: er is een verschil tussen mensen die een persoon of instantie op formele wijze te vriend houden omdat hij zich anders wel eens zou kunnen ontpoppen tot een potentiële concurrent of spion, tot dief, verrader of zelfs tot een vijand, en mensen die iemand die een formeel maar vriendschappelijk bondgenootschap aangaan omdat ze geloven dat de afspraken en de wederkerige afhankelijkheid beide partijen ten goede zullen komen, krachtiger maken en een gevarieerd aanbod garanderen.
Feitelijk, aan de buitenkant (dus: naar de letter) zien de overeenkomsten, contracten en juridische verdragen er in beide gevallen misschien exact hetzelfde uit, en beloven ze de eerlijkheid, rechtvaardigheid en veiligheid die aan het vrije handelsleven voorafgaan, maar alweer is het de geest die het verschil maakt. Wordt een verdrag opgesteld om je tegen mogelijke gevaren in te dekken, om kleine mazen in de wet af te dekken, of wordt het opgesteld vanuit de wens om in de relatie die wordt aangegaan vrijelijk nog meer mogelijkheden te ontdekken? Kansen om samen sterker te worden en rijker – niet uitsluitend in materiële zin, maar ook in culturele en morele zin?
Toen ik zojuist probeerde iets van de Hanze-sfeer te schetsen, hoe vaag, hoe wellicht over-geromantiseerd dan ook, sprak ik over een zekere geheimzinnigheid of magie.
Ik bedoelde dat niet in de duistere zin van het woord. In de complotsfeer, in het elitaire of esoterische – al sluit ik niet uit dat er ook rare, exclusieve genootschappen in de Hanze-tijd ontstonden of anders wel opbloeiden.
Waar ik op doelde, was op een sfeer van werkelijk spel, geen moordend concurrentiespel dat vaak iets van strijd, van oorlog heeft (de term ‘prijzenoorlog’ zegt genoeg…), maar van een gezelschapsspel. Waarbij ik denk aan de Homo Ludens van Huizinga, of aan de Spieltrieb zoals Friedrich Schiller die postuleerde. Of aan de sfeer uit het grotendeels komische toneelstuk De Koopman van Venetië, van William Shakespeare.
Je speelt geen akelig, gemeen vals spelletje met elkaar, maar een spel waarbij de spelregels voor een goede voortgang zorgen en waarbij je de ander nodig hebt – niet in de laatste plaats voor het plezier van het spel. Niet voor niets noemen we toneel, theater óók spel: het is niet altijd echt, ieder neemt een rol aan, vertolkt die met verve, maar je weet van elkaar dat er sprake is van spel en voor dat spel zijn de woorden, de manieren, de gebaren, de kostuums, de decors heel precies gegeven. Er is een script, er zijn misschien regieaanwijzingen, en er is een nooit helemaal in woorden vast te leggen afspraak van wat er binnen het spel wel en niet toelaatbaar is. Daar komt het dus niet alleen op geest aan, maar evenzeer op gevoel, op de ziel. Op de intentie van de spelers, én op een fijnzinnig voorstellings- en inlevingsvermogen. Het spel moet meer zijn dan som van de verschillende spelers, de topacteur mag zich niet ten koste van de anderen uitleven in zijn glansrol, ze van het podium wegspelen en ten slotte een soloshow ten beste geven; de meerstemmigheid, de interactie is geen middel om één van de spelers in de spotlights te zetten, maar een doel in zichzelf.
Toneelspel is niet alleen expressie, een jezelf ‘uitleven’ – het is, als gezegd, ook jezelf ‘inleven’ en soms jezelf terughouden, inhouden, omwille van je medespelers, en in de eerste plaats: omwille van het spel, het toneelstuk zelf. Dat is, gok ik, wat de Hanze net zo goed kenmerkte.
Een opzettelijk ingehouden uitbundigheid, beschaafde luxe, geen pracht en praal en protserigheid, maar fonkelende verfijning. Om een begrip uit het begin van de 20e eeuw te gebruiken, zoals dit toen opgeld deed in design en architectuur: form follows function.
De Hanze was form follows function avant la lettre. Tenminste, dat is wat ik me realiseerde daar in Litouwen, bij de tentoonstelling in Trakai. Een feestelijke maar toch alledaagse, broederlijke en zakelijke, zekere en toch speelse, berekenende en warme, gevoelvolle vorm van beschaving rondom rivieren en rondom die prachtige zeeën: de Noordzee en de Oostzee.
Eindelijk begreep ik wat de verschillende landen en plaatsen waar ik zo van houd, verbond. Dat was meer dan amber en haring alleen. Het bleek de Hanze te zijn. Een woord dat ik tot die tijd vooral associeerde met een soort oer-Hollandse truttigheid. Maar de Zweedse, de Poolse, de Duitse en de Baltische ziel in mij konden zich eindelijk verenigen met die Nederlandse ziel die mij nu eenmaal genetisch ooit door mijn ouders is aangedaan, terwijl ik me hier toch nooit echt thuis heb gevoeld – al heb ik dáár helaas nog steeds geen passende verklaring voor.

Graag ga ik nu even met u terug, veel minder ver in de tijd, naar een kleine vijf jaar geleden. Een periode waarin drie belangrijke thema’s tegelijk speelden: de economische crisis, de spionage via internet en de Arabische Lente. Dit alles tegen de achtergrond van klimaatopwarming en duurzaamheidsvraagstukken, maar die onderwerpen waren al wat langer in het nieuws. Het was de tijd van de occupy-beweging, van Julian Assange en Bradley Mannings en Wiki-leaks, en van de vreedzame protesten in onder andere Tunesië, Egypte, Libië en Syrië.
Bezorgde burgers roerden zich en kwamen in opstand tegen de verschillende grootmachten, al dan niet politiek van aard, en tegen hun eclatante machtsmisbruik. Behalve een vraag om meer vrijheid en gelijkheid, leek er ook, impliciet, een vraag te klinken om meer broederschap. En dan bedoel ik niet: om meer moslimbroederschap, of om meer christenbroeders, of mannenbroeders, en al helemaal niet om meer wapenbroeders of ‘brothers in crime’, maar dat begrijpt u wel.

Knipsel-des4

Toch is het precies deze ‘sense of brotherhood’ die nog maar steeds niet wordt benoemd, en eerst al wordt gevoeld. Het kan aan mij liggen, maar ik vrees dat het met gelijkheid en vrijheid nooit wat zal gaan worden, nergens, als mensen niet beginnen zich actief in te spannen voor broeder- (en zuster!) schap. Ja, je kunt de straat op gaan voor meer gelijkheid en vrijheid, maar zolang je dit doet voor jezelf en/of je eigen groep, bijvoorbeeld omdat je jarenlang tot een achtergestelde groep behoorde, blijf je denken in ‘wij’ versus ‘zij’ of ‘jullie’.
Zeer terecht dat lang benadeelde of ronduit gediscrimineerde, onderdrukte partijen hun rechten opeisen, inspraak verlangen, en eerst al gehoord willen worden zonder meer – maar zelfs als de verschillende benadeelde minderheden hun krachten bundelen om zich te verzetten tegen de onderdrukkende partij, blijft er het risico van verzwakking door versplintering.
Je kunt je met elkaar één voelen in een protest, in een ‘Nee’ tegen de kwade tegenmachten. Dat geeft een aangenaam gevoel van verbondenheid en solidariteit, en nodig is het zeker. Maar als dit verzet het enige is wat je onderling bindt, dan zal de verbintenis niet lang stand houden. Sterker nog, een béétje machthebber weet feilloos hoe de verschillende protestpartijen tegen elkaar uit te spelen, alsof hij of zij de hogere verdeel- en heerskunde aan de beste universiteiten van de wereld heeft gestudeerd en daarin cum laude is afgestudeerd.
Daar kun je verontwaardigd over zijn, daar MOET je verontwaardigd over zijn, mits die verontwaardiging maar niet ten koste gaat van een diep gevoelde verbondenheid, over de verschillen heen – nee, dwars door de verschillen heen. Een verbondenheid in menselijkheid.
Maar wat is dat dan, menselijkheid?

Knipsel-des3
Dat dit vaag, soft en zweverig kan klinken, begrijp ik goed. Zelfs een poëtische abstractie blijft een abstractie en hoewel abstracties op het eerste gehoor duidelijke definities lijken, kun je er in veel gevallen alle kanten mee op – denk aan het eerder genoemde begrip ‘vrijheid’.
Voordat ik verder ga, wil ik dus proberen uit te leggen wat ik onder menselijkheid versta.
Laat ik ermee beginnen te zeggen dat een mens natuurlijk al bij geboorte, of al in de baarmoeder, menselijk is – maar dan puur in biologische, fysieke zin. Echt menselijk wordt iemand mijns inziens pas vanaf het moment waarop hij of zij in staat is om zichzelf in andere mensen te herkennen én omgekeerd, anderen in zichzelf te herkennen. Dat laatste is nog niet zo makkelijk.
Immers, bij het herkennen van mezelf in de ander (of althans van bepaalde gedragingen, eigenschappen, emotionele uitingen en reacties en/of van waarden, normen en meningen van mezelf), gaat de beweging nog steeds van mij uit. Ik bepaal in wie ik mezelf herken, en in wie niet, en in wie misschien een beetje.
Ter illustratie: ik sta op een drukke zaterdagmiddag in een drukke bakkerswinkel te wachten op mijn beurt. Ik gebruik de wachttijd om het aanbod te bekijken, in gedachten alvast een lijstje te op te stellen van de broodjes en lekkernijen die ik wil kopen, en merk daarbij dat er pal bij de toonbank een kleine, onopvallende vrouw staat die nu al voor de derde keer wordt overgeslagen. Het personeel lijkt haar niet te zien en twee klanten maken daar handig gebruik van, of zien de vrouw zelf ook niet, of niet goed, of vragen zich niets over haar af – de derde klant kruipt willens en wetens voor, met veel misbaar, waardoor niemand de zachte protestgeluiden van de al zo lang wachtende vrouw kan horen. Het ligt misschien voor de hand dat ik me het snelste en het eenvoudigste identificeer met deze vrouw, niet eens per se omdat ze net als ik een vrouw is, of zich gedraagt zoals ik mezelf in een dergelijke situatie vaak gedraag, of alleen al omdat ze me sympathiek voorkomt: ik identificeer me met haar, simpelweg omdat zij in deze situatie de dupe is van andere mensen. Van de verkoopsters die haar niet opmerken, van de twee klanten die haar opzettelijk of per ongeluk negeren, van de klant die expres en tamelijk agressief voordringt én van de andere wachtende klanten die, net als ikzelf, misschien wel zien wat er gebeurt en misschien wel vaststellen dat het niet klopt, maar daarbij niets ondernemen wat haar een beetje kan helpen. Kijkend naar al die verschillende mensen besluit ik vervolgens: “Zo wil ik niet zijn.”
En dan raap ik mijn moed bij elkaar en zeg hardop iets als: ‘Sorry hoor, maar deze mevrouw staat al heel lang te wachten en zij is nu eerst aan de beurt.’ Daarbij durf ik het risico te lopen dat het winkelpersoneel me een vervelende moralistische schooljuf zal vinden, dat de opdringerig klant me zal uitschelden, dat ik me tegenover de andere klanten belachelijk maak, én dat de wachtende vrouw mij deze verdedigingsactie helemaal niet in dank zal afnemen, bijvoorbeeld omdat ik ongevraagd te veel de aandacht op haar vestig en ze zich daar nog ongemakkelijker door gaat voelen. Waarom neem ik dat risico dan? Het antwoord is simpel: omdat ik een bepaalde waarde toedicht aan aandacht voor elkaar, aan beschaafde omgangsvormen in de openbare ruimte en omdat ik hoop, of er zelfs heimelijk op reken, dat een ander het ook voor mij opneemt, gesteld dat ik me in een soortgelijke situatie bevind. Met mijn identificatie, met mijn medeleven, met mijn stille verontwaardiging over het gedrag van de andere mensen in de winkel en tenslotte met mijn verdediging van de wachtende vrouw, poog ik dus vooral mijn eigen waarden (of die aangeleerd zijn of niet, laat ik even in het midden) na te leven en veilig te stellen, en dit dus nog ongeacht de vraag of de vrouw wel om mijn hulp verlegen zit.
Maar gesteld dat ze me inderdaad na afloop bedankt, en dat ook het winkelpersoneel blij is dat ik hen op de mevrouw heb geattendeerd, én dat, in het ideale geval, zelfs de voordringer inbindt en zijn excuses maakt, én een paar andere klanten bij mijn actie meteen instemmend knikken, dan kan ik tevreden denken dat eigenlijk iedereen in precies dezelfde vriendelijke wereld wil leven als ikzelf en voel ik me in dit positieve mens- en wereldbeeld bevestigd en herbevestigd. Nee, om de complimenten met mijn opmerkingsgave, mijn inlevingsvermogen, met mijn durf en mijn rustige, vriendelijke toon gaat het mij niet eens, ook achteraf niet: het gaat mij erom dat ik een situatie die ik zelf als ongemakkelijk beleefde ook zelf weer heb gerepareerd, en dat versterkt mij in het idee -of in de illusie - dat alle mensen ten diepste op het goede zijn gericht, en dat een goede sfeer tussen mensen van goede wil misschien niet maakbaar, maar dan toch wel eigenhandig herstelbaar is.
Met al deze dingen is volgens mij niets mis. Tenzij ik hierdoor werkelijk ga denken, ga geloven, dat ik een agent van de menselijkheid ben, alleen omdat ik het heb willen en durven opnemen voor de gepasseerde klant.
Het gaat hier namelijk om een zéér beperkte, exclusieve vorm van menselijkheid. Menselijkheid waarbij ikzelf degene ben die bepaalt wat ik onder menselijkheid versta, en wat niet. En waarbij ik ongemerkt een paar gram menselijkheid afsnoep van iedereen in de winkel die er aan heeft bijgedragen dat de wachtende vrouw niet werd opgemerkt. Na de complimenten stel ik vervolgens opgetogen vast dat het met hun onverschilligheid en botheid en egoïsme toch wel meevalt, dat ik me een beetje in de anderen heb vergist, en precies hier ga ik de fout in.
Want de menselijkheid van medemensen behoort niet af te hangen van mijn oordeel alleen.
Zeker niet als ik bij dit oordelen verzuim om te zien dat al deze mensentypes, al deze menselijke gedragingen, ook leven in mijn eigen ziel. Als neigingen, als mogelijkheden, als potenties.
Nu gaat het mij er niet om dat je pas van menselijkheid mag spreken wanneer je aldoor, bij ieder oordeel, innerlijk rekenschap aflegt van het feit dat ook jij in bepaalde omstandigheden tot minder fraai sociaal gedrag in staat bent – met dat soort verregaande scrupules schiet je evenmin wat op, en het kan zelfs tot hoogmoed leiden. “Kijk mij eens eerlijk in de spiegel kijken, dat zie ik anderen nog niet doen…”
Wat ik bedoel is dit: in mijn verlangen naar menselijkheid, of naar méér menselijkheid, kan ik ongemerkt andere mensen, die in mijn ogen iets minder menselijk handelen, reduceren tot middelen. Waarbij mijn doel is dat er recht wordt gedaan aan de wachtende vrouw met wie ik me makkelijk kan identificeren.
Dat lijkt goed, moreel goed, maar wanneer ik echt beleid ga maken van deze instelling, vervreemd ik me meer en meer van de mensen die er klaarblijkelijk niet dezelfde doelen op na houden als ik zelf. Ik durf de wereld op te voeden, maar ik hoef mezelf niet meer op te voeden, want ik sta toch al aan de goede, menselijke kant…
Menselijk wordt een mens pas, als hij (of zij) inziet dat niets menselijks hem vreemd is.
(Wat een prachtige uitdrukking is, maar dit terzijde.)
Daarbij gaat het niet uitsluitend om herkenning, om identificatie met een ander.
Om terug te komen op het voorbeeld: het zou zo kunnen zijn dat ikzelf nog nooit ben voorgedrongen in een kassarij. Dat ik, toen ik in mijn studietijd zelf in een winkel werkte, ook nooit een situatie heb laten ontstaan waarin een schuchtere, bescheiden klant werd overgeslagen. Dat ik me ooit nooit onbetuigd heb gelaten als ik zag dat een andere klant vóór mij herhaaldelijk werd gepasseerd. Kortom, dat ik zelf nooit één van de fouten heb gemaakt die ik in die bakkerswinkel zie maken door anderen, terwijl ik wél goed weet hoe het is om in de schoenen van de wachtende vrouw te staan. Maar dan nog maakt smetteloosheid op dit gebied mij niet tot een toonbeeld van menselijkheid. Er zijn namelijk genoeg andere situaties te bedenken waarin ik me, zonder er zelf erg in te hebben, wel degelijk onverschillig gedraag, of waarin ik het niet nodig vind om voor een ander op te komen, of waarin ik mezelf handig naar de voorgrond manoeuvreer en daarbij oprecht meen dat ik zelfs recht heb op die plaats, of op een snelle afwikkeling - van wat dan ook.
En heb ik dan ook het lef om me door anderen te laten berispen en corrigeren?
Nog één keer terug naar die bakkerswinkel op zaterdagmorgen, ditmaal een week later. Dezelfde mensen in de bediening, andere klanten, alleen de man die een week eerder zo onbeschoft voordrong staat er ook weer. En deze keer is hij het die een paar maal wordt gepasseerd, misschien niet eens per ongeluk. De man zucht en steunt en vloekt binnensmonds, maar daarmee boekt hij geen resultaat. Kom ik voor hem op? Nee. Ik denk: “Zo, mannetje, nu voel jij ook eens keer hoe het is.” Stiekem geniet ik zelfs van zijn zichtbaar groeiende ongemak. Er komt een nieuwe klant in de winkel, ze komt toevallig naast mij staan, en ze wijst naar de geërgerde man bij de toonbank, waarbij ze zegt: ‘O nee, ik was er al bang voor. Stáát hij daar weer stennis te maken, om niets! Ik dacht, ik ga toch maar eens even kijken waar hij blijft…’ De vrouw blijkt zijn echtgenote te zijn, en ze vertelt me ongevraagd dat haar man de laatste tijd ongelooflijk snel uit zijn doen is – zijn moeder ligt nu al een paar weken op sterven, hij probeert iedere vrije minuut bij haar te zijn, haar nog wat te laten genieten, maar zodra hij in een pauze ook maar één stap buiten de deur zet, breken de zorgen en de stress hem op. Zijn enige zus woont in Amerika, hij staat er helemaal alleen voor, zijn moeder wil zelf ook niemand anders zo dichtbij zich, maar haar man gaat aan zoveel verantwoordelijkheid bijna ten onder, hij is doodmoe, en reageert dat dan het makkelijkste op onbekenden af.
Tot zijn eigen schaamte. Nadien voelt hij zich er nog lang heel akelig over. Niet dat dit een excuus is, maar toch. En dan zegt de vrouw: ‘Daarom dacht ik, misschien moet ik hier een relletje sussen…’
Het relaas van de vrouw werpt hoe dan ook een ander licht op de situatie de week ervoor, en op de man zelf. Ik kan denken: “Ja, dat kan allemaal wel waar zijn, maar toch moet die man zich netjes gedragen. Ik heb lang geleden zelf ook aan het sterfbed van mijn moeder gezeten, en ik heb mijn stress destijds ook niet op anderen afgereageerd.”
Ik kan ook denken: “Jammer dat ik dit vorige week niet wist, en ook daarnet nog zo onvriendelijk over de man heb gedacht – misschien had ik het de afgelopen zaterdag toch anders moeten aanpakken en na mijn actie nog iets aardigs tegen hem moeten zeggen. Dat het niet persoonlijk bedoeld was, of zoiets.” Vaststaat dat de aanvullende informatie me dwingt tot nadenken, en dat de kans bestaat dat ik mijn oordeel op onderdelen herzie of nuanceer.
Het gaat dan echter nog steeds om mijn begrip van menselijkheid. En uitgerekend een begrip, een idee van menselijkheid, is iets wat niet op zichzelf kan bestaan. Er is niet één mens, en ook niet een groep mensen, die voor de gehele mensheid kan en mag bepalen wat er onder menselijkheid dient te worden verstaan, en wat juist niet. Natuurlijk kun je met een gerust hart verlangen naar een menselijker samenleving, naar meer menselijkheid in de politiek, in de economie, in de zorg, in het onderwijs, noem maar op – maar zonder daarbij te denken dat jij precies zou weten wat menselijkheid is en er zelf ook al verdomd aardig in slaagt om je in je eigen doen en laten door een ideaal van menselijkheid te laten leiden, of zich dat nu toont in je begripvolle, empathische, genuanceerde gedachten over de aanslagen in Parijs, of in je aandacht voor medemensen en in je dappere gedrag in een bomvolle bakkerswinkel.
Vergeeft u mij deze lange uitweiding naar aanleiding van een onbenullige, bovendien verzonnen anekdote, die nog niet eens over ethiek gaat, maar over etiquette.
Bewust koos ik ervoor stil te staan bij zo’n kleine, lullige Libelle-gebeurtenis, want het is dáár waar we vaak al de eerste denkfouten met betrekking tot menselijkheid, tot medemenselijkheid, tot burgerschap en tot het prachtige begrip ‘naastenliefde’ maken. En die denkfouten nemen we vervolgens mee in onze grotere gedachten over een menswaardige wereld, over de toekomst, over vraagstukken rondom het milieu, vrede, veiligheid, vrijheid, gelijkheid, gezondheid en welbevinden.
We? U ziet, nu maak ik mezelf meteen alweer schuldig aan zo’n denkfout.
Ikzelf maak de denkfouten, u maakt die misschien helemaal niet, of niet meer.
Terug naar mezelf dus: ik betrap me geregeld op de aanname dat alle mensen ten diepste in een vriendelijke, gastvrije, open samenleving willen leven, waar ze kunnen zeggen en denken en voelen en geloven en doen en laten wat ze willen, mits hun vrijheden geen schade toebrengen aan medemensen, aan andere levende wezens en aan de aarde als levend organisme en als bron van alle leven. Wanneer ik mensen ontmoet die hier anders over denken, wil ik graag met ze in discussie gaan. En als ik al voorvoel dat ze daar niet op zitten te wachten, negeer ik ze.
In beide gevallen pretendeer ik te weten dat deze mensen moedwillig of juist klakkeloos de menselijkheid in zichzelf onderdrukken, of uitschakelen, of hebben laten uitschakelen, door bijvoorbeeld angst, pijnlijke jeugdtrauma’s, hebzucht of een gebrek aan liefde, aan goed onderwijs, een aangename, gezonde en liefst ook mooie leefomgeving. In zekere zin kunnen ze er dus niet altijd wat aan doen dat ze minder op menselijkheid zijn gericht dan ik, hooguit kun je hopen dat ze ooit nog tot inkeer en tot inzicht komen – in hun eigen belang en voor hun eigen bestwil.
Want reken maar dat hun levens er geestelijk rijker op worden wanneer ze hun eigen menselijkheid ontdekken en menselijker gaan leven, in verbondenheid met anderen en in een gedeelde zorg om deze wereld, deze aarde. Ik stel me hierin dus op als de moeder, de schooljuf die een paar pestende kinderen apart neemt en ze de retorische vraag stelt: ‘ Stel dat jij Marietje was… Zou jij het dan leuk vinden, als je wordt uitgescholden voor lelijkerd, en kinderen je slaan en stompen en uitlachen als je iets niet goed kunt, en je viltstiften kapot maken, en je nieuwe wanten door de hondenpoep halen?’
Natuurlijk zullen de pesters bedremmeld naar de grond staren, en bij alle voorbeelden ‘nee’ mompelen, en misschien een paar berouwvolle tranen laten. En zelfs als ze dat allemaal niet doen, maar brutaal terugkijken en antwoorden: ‘Ja hoor, ik kan daar best wel tegen. Daar word je hard van, dat zegt mijn vader ook’, zal ik kunnen denken: “Arme kinderen, nú al gehersenspoeld, wat zullen die een ellendig leven tegemoet gaan…”
Maar wat ik in beide gevallen vergeet, is dat een pester prima weet dat pesten niet leuk is.
Dat is nou net waarom pesters zo graag pesten. Ze weten dat ze Marietje niet zijn, ze vieren het feit dat zij Marietje niet zijn, en voor geen millimeter op dat stomme, dikke, eigenwijze meisje lijken, en het is alleen maar ontzettend leuk om te merken hoe ontzettend niet-leuk Marietje het pesten vindt, en hoe bang ze is, en hoe snel ze gaat huilen bij nog niet eens zo’n heel harde trap tegen haar schenen. Daar doe je het toch zeker allemaal voor? En voor het gejoel en applaus van een paar vrienden uit hogere klassen…
U begrijpt waar ik naartoe wil. Menselijkheid begint pas daar, waar ik erken dat andere mensen ook werkelijk anders zijn dan ik – en ze niet uitsluitend aanspreek op dat wat ik onder menselijkheid versta, en op wat ik aan mooie en morele eigenschappen in ze vermoed, om ze te laten vallen als blijkt dat ze zich daarop niet laten aanspreken… Menselijkheid begint daar, waar ik durf te aanvaarden dat het óók menselijk is om te genieten van pesten, van vernielen, van de baas spelen, van destructie en zelfdestructie, van het overschrijden van grenzen, van het verstoren van de orde, van het zorgvuldig afbreken wat door een ander minstens zo zorgvuldig is opgebouwd.
Menselijkheid begint daar, waar ik niet meer alleen over anderen denk: “Eigenlijk sluimert er ook in jou een liefdevol, sociaal, goed mens – jammer dat je dat talent geen kans geeft,” maar waar ik tegelijk aan mezelf durf toe te geven dat ook ikzelf lang niet altijd door nobele motieven word gedreven. Dat ook ik het soms leuk vind om anderen af te troeven, of me laat leiden door afgunst en jaloezie, door minachting, door hoogmoed, door een behoefte aan complimenten, applaus en heel veel leuke medestanders. Natuurlijk mag en moet ik me dan nog steeds wel uitspreken tegen onrecht en geweld en tal van andere misdaden en misstanden, maar dit dan in het volle besef dat menselijkheid niet mijn eigen uitvinding is, dat ik niet kan claimen dat ik precies weet wat menselijk is en wat niet, laat staan dat ik mag geloven dat mijn manier van leven al wél 100% menselijk is.
Menselijkheid is work in progress. Menselijkheid blijft een bouwwerk onder constructie. En om menselijkheid te ontdekken, te oefenen, op onderdelen te herzien en te restaureren, heb je andere mensen nodig – alle andere mensen die er zijn, en dus niet een club gelijkgestemde geestverwanten alleen. Dat besef tot je laten doordringen, en er volmondig ‘ja’ tegen zeggen, als in een huwelijk, in goede en kwade tijden, dát is wat ik versta onder broederschap.
En dat is de geest die je kunt voelen in de Hanzesteden.
Geen imposante World Trade Centra in een aparte wijk vol hoge gebouwen, waar de deals worden gesloten, de regels worden dichtgetimmerd, waar de mazen in de wet worden gezocht en weer gedicht, waar fiscalisten, juristen, lobbyisten, beleggers, aandeelhouders, accountants van beeldscherm naar vergadertafel naar vliegveld racen om de economie slagvaardig te houden en de winst te maximaliseren, ver van het alledaagse gewoel vandaan, ver van de bakkerswinkels waarin soms mensen voordringen en andere mensen zich afvragen hoe ze daar nou mee moeten omgaan – nee, het zakendoen als een oefenspel, waarbij je in de werkelijke ontmoeting met elkaar het ambacht verfijnt en al doende meer mens wordt, en elkaar meer mens laat worden.

Knipsel-des2
Zoals de antieke Griekse filosofen de agora, het marktplein kozen om er hun gesprekken te voeren, of anders wel rond een eettafel zaten, of in de sportschool nog eens bijeen kwamen, zo zie je die sfeer opnieuw ontstaan in de Hanze-tijd en, inderdaad, bij de Moderne Devotie.
Eenvoud, niet alleen in materiële zin, stond voorop.
Eenvoud van hart, van geest. Zei ik aan het begin van dit verhaal dat ik aanneem dat het met vrijheid en gelijkheid nooit wat zal worden als er niet eerst al wordt ingestemd met een gevoel van broederschap met alle mensen, dat broederschap wat mij betreft voorafgaat aan gelijkheid en vrijheid – ik geloof ook dat broederschap, op haar beurt, niet kan bestaan zonder een radicale keuze voor eenvoud, voor bescheidenheid, voor nederigheid. Waarmee ik dus zeker geen spirituele, vaak nogal escapistische ego-loosheid bedoel, en ook geen onderdanigheid of kruiperigheid, of slaafs kuddegedrag. De eenvoud in de Moderne Devotie is de eenvoud van de mens die beseft dat hij nooit ‘af’ is, nooit ‘klaar’ is en die, zelfs als hij de volmaakte goedheid nastreeft, al weet dat hij deze nooit zal bereiken. Sterker nog, dat hij zonder andere mensen nog geen stap in de goede richting zal kunnen zetten. Dat de broeders en zusters van de Moderne Devotie midden in de wereld wilden staan om deze wereld verder te brengen, om noden te lenigen, bedroefden te troosten, om zin en perspectief en onderwijs en inzicht te bieden is maar één kant van de zaak.
De mooie missie mocht onder geen beding gepaard gaan met spirituele ijdelheid en hoogmoed en hebzucht, gericht op eventuele beloningen in het eeuwige hiernamaals. “Kijk ons eens dapper en toegewijd het goede doen”: dat was en is het gevaar wat altijd op de loer ligt waar mensen zich aan hooggestemde, bovenpersoonlijke idealen verbinden en zeggen gedreven te worden door medeleven, solidariteit, menselijkheid, naastenliefde en al die andere begrippen die zo prachtig klinken, maar die ook zo prachtig toedekken dat geen enkele inspiratie, geen enkel motief ooit helemaal zuiver is.
Ik hoop dat ik er niet te ver naast zit als ik zeg dat de Hanze het handelen beoefenden als een ambacht, als een kunde, zelfs als een kunst – een sociale kunst. In ieder geval heb ik altijd de indruk dat de Moderne Devotie het christenzijn beoefenden als een ambacht, zelfs als een kunst. Geen montere levenskunst waardoor je jezelf per se vrijer, gelukkiger en rijker gaat voelen, maar de kunst van de toewijding. En toewijding is de overtreffende trap van aandacht, aandachtigheid, van wat tegenwoordig mindfulness wordt genoemd.
Een voorbeeld: als ik een cd opzet, dan is dat soms om de muziek als achtergrond te gebruiken bij andere werkzaamheden. Ik krijg er energie van, de muziek brengt me in de gewenste stemming, versterkt mijn melancholie en troost die in hetzelfde moment, of dempt mijn chagrijnige stemming, of zet me ertoe aan om dansend de afwas te doen, of brengt me terug bij een heerlijke vakantieherinnering. De muziek dient mij, mijn stemming, mijn werk.
Ik kan er ook rustig bij gaan zitten, en aandachtig luisteren – maar dan kan ik nog beter naar een live uitvoering in een concertzaal gaan, waar ik de muzikanten ook kan zien, en waar ik samen ben met andere liefhebbers die even aandachtig willen luisteren. Maar stel dat ik ook muzikaal talent heb, kan zingen, een instrument bespeel, dan kan ik deze mooie muziek ook proberen zélf te maken, in mijn stem, in mijn vingers te krijgen. Alleen een paar keer goed luisteren volstaat dan meestal niet (ik geloof dat Mozart dit wel kon, maar de uitzondering bevestigt de regel) – ik moet me echt verdiepen in de partituur, en luisteren, en bepaalde loopjes herhalen en herhalen, en ik heb waarschijnlijk iemand nodig die beter in de muziek thuis is dan ik, om mij aanwijzingen te geven, zodat het nog mooier word, nog zuiverder, nog gevarieerder, en meer is dan alleen het naspelen van de noten, dan het beheersen van de techniek: er moet een ziel in de muziek komen, ze moet bezield klinken en mij bezielen. Pas hier is dus sprake van toewijding. Aandacht kan nog wat passief zijn, ook al neem ik de muziek actief in me op – maar pas als ik de muziek zelf ga spelen, komt daar toewijding bij kijken. Ik moet mij iets vreemd ‘eigen’ maken. Niet door het me toe te eigenen, in de ontvangende, bezitterige zin, maar door mijzelf eraan toe te wijden. Ik doe niet alleen iets met de muziek, de muziek gaat iets doen met mij. De muziek vraagt om scholing van mijn talenten, maar brengt ook mijn tekortkomingen, mijn hardnekkige fouten, mijn falen en beperkingen aan het licht, aan het gehoor.
Zeker als ik samen met anderen musiceer, samen met andere toegewijd ben aan de muziek. Hoe vang je elkaar op, hoe versterk je elkaars kracht, hoe voorkom je dat de één de ander wegspeelt, overstemt, of alvast voordringt – alsof de concertzaal een bakkerswinkel is?
Sprak bij de Hanze nog over de toneelkunst als spel, het spelen van muziek komt dicht in de buurt van de toewijding aan de menselijke broederschap, en aan Christus, in wie God mens durfde te worden, zoals je die terugvindt bij de Moderne Devotie.
Alle podiumkunsten waarbij het niet gaat om solo’s en one man shows, maar om ensembles (een mooi Frans woord – het meervoud van ‘samen’) kennen die toewijding. Misschien zie je die nog wel het beste terug in de dans, waar zowel toneel als muziek in aanwezig zijn, en waar mensen met niets dan hun lichaam, hun zijn-zonder-meer, een kunstwerk bouwen in de tijd, in de ruimte – op die zelfde manier nooit meer herhaalbaar.

Die toewijding aan broederschappelijkheid, aan menselijkheid in wording, die is nooit te leren door een theorie of een fraai lespakket aan te bieden, uitgedacht en vervaardigd door de beste wetenschappers, pedagogen en technici en grafici – en financieel ondersteund door een overheid die dolgraag inzet op burgerschap, initiatiefkracht, solidariteit, Bildung en engagement, om maar wat termen te noemen. Zoals de grote handel, de business, de multinationals en de banken zich hebben teruggetrokken uit het stadsgewoel en in gelikte kantoren een wereld apart vormen, zo dreigen ook wetenschap en politiek zich meer en meer terug te trekken op grote eilanden waar men talen spreekt die niet meer te volgen zijn voor gewone mensen, en stukken produceert met zo’n hoog abstractieniveau, en met zoveel cijfers en tabellen en statistieken, dat een normaal mens nog maar één ding kan willen: dáár niet in passen.
Mensen uiten meer en meer hun angst, hun onvrede, soms zijn de klachten kinderachtig, rellerig, onterecht, of volkomen uit proportie, en dan worden ze ofwel laatdunkend ofwel meewarig afgedaan als onbeschofte of regelrecht onmenselijke aandachttrekkerij. Een massa voordringers, die allemaal voor een dubbeltje op de eerste rij willen zitten, die zich in het gewoel schreeuwend een weg naar de kassa wurmen en eisen dat zij nu eens aan de beurt zijn – en zo niet, dan schuwen ze pesterijen, bangmakerijen geweld en terreur niet. Hoe dat gedrag te remmen?
Door op je hurken te gaan zitten en te vragen: ‘Zou jij het leuk vinden, als je met je vriendinnetje op een terras zit, of een popconcert bezoekt, en iemand opent het vuur en begint zomaar in het wilde weg te schieten?’ Kom op. De provocateurs, of dat nu leden van IS zijn of de rechtsextremistische enkeling Anders Breivik, weten dat wat ze doen ‘niet leuk’ is, en dat is precies waarom ze het doen.
Ze vinden het geen straf om te worden weggezet als onmenselijk, of als daders van onmenselijke daden – integendeel. Een dier kan er niet voor kiezen ondierlijk te zijn, maar de grootste vrijheid van ieder mens is dat hij ervoor kan kiezen om onmenselijke of anti-menselijke daden te begaan, dat is nu net de paradox van het menszijn. En al zal het merendeel van de mensheid deze mensen veroordelen, voor de misdadigers is die veroordeling een extra triomf, een bewijs dat zij een benepen menselijke moraal te boven zijn gekomen en daarmee een soort übermenschen zijn, in de niet Nietzscheaanse zin van het woord.
Maar waar dit soort excessief gedrag toe verleidt, is dat al die mensen die claimen dat zij wél menselijk zijn en de menselijkheid een warm hart toedragen, met wetten en regelgeving en afspraken en maatregelen komen die nog meer onmenselijkheid in de toekomst kunnen tegengaan.
Theorieën, gebaseerd op grootscheepse onderzoeken. Doorwrochte ethische verhandelingen, en codes, en protocollen, die vrijheid en gelijkheid garanderen en banenkansen en economische voorspoed en welzijn en rechtvaardigheid en duurzaamheid. Maar gesteld in een proza dat niemand voor zijn plezier nog eens naleest. Geeft niet, wat telt is dat het werkt. Dat er effecten meetbaar zijn, dat er resultaten worden geboekt. En het is precies deze houding waaruit minachting spreekt voor het echte mensenleven, zoals zich dat oefenend afspeelt tussen mensen. In plaats van aan de zijlijn of erboven te staan, zou iedereen die menselijkheid, broederschap en de toewijding hieraan belangrijke waarden vindt, meer van zichzelf mogen laten zien.
Niet nog meer ego, maar meer visie.
Ten slotte nog een voorbeeld. Ik herinner me een lezing die de toenmalige minister van Volksgezondheid Ab Klink hield, ik weet niet meer bij welke gelegenheid, maar wel dat hij in een krant was afgedrukt, waardoor ik hem dus kon lezen. Hij zei daarin dat de PVV en CDA allebei voorstander waren van een beperking van de immigratiestroom, toegespitst op arbeidszoekers, dus niet op politieke asielzoekers. Maar beide partijen kenden voor de beoogde maatregel een volkomen verschillend motief. De PVV wilde Nederland voor de Nederlanders houden, minder Islam, u kent de riedel, en het CDA was van mening dat de tijdelijke beperking nodig was om nu eerst eens alle energie en aandacht te richten op de allochtonen die hier soms al jaren waren, en nog steeds niet deelnamen aan de samenleving. De kansen waren hun geboden, ze hadden daar geen gebruik van gemaakt, maar dat lag niet altijd aan die mensen zelf, maar aan het feit dat ze daar soms veel meer actieve stimulans bij nodig hadden dan men vooraf had aangenomen. Meer druk leggen op het leren van de Nederlandse taal aan Marokkaanse vrouwen, ze een opleiding aanbieden – het werkte al, de emancipatie die dit vanzelf tot gevolg had wierp vruchten af, de moeders konden de kinderen beter bij hun schoolloopbaan begeleiden, de inkomens stegen enzovoorts.
Nog even los van de vraag of ik Klink correct aanhaal, en of hij hierin gelijk had, en of u dit ook een goede gang van zaken vindt: wat hij aantoonde in zijn verhaal, is dat een maatregel uiterlijk precies gelijk kan zijn aan die van een andere politieke partij, en dat dit ogenschijnlijk coalitievorming vereenvoudigt, maar dat de beide motiveringen zo hemelsbreed uiteen kunnen lopen, dat je toch niet met elkaar in zee wilt gaan, ook al betekent dit dat je misschien kiezers verliest aan deze andere partij. Dat is dan maar zo. Je gaat niet met elkaar in zee omdat je, in dit geval als CDA, geen vuile handen wilt maken, of omdat je diep neerkijkt op het onmenselijke racisme van de PVV en jezelf daarbij wél uitermate menselijk vindt – nee, je vindt dat je het aan de kiezers verplicht bent om je visie op mens en wereld kenbaar te maken. Om je te laten kennen.
Of anderen jouw visie menselijker zullen vinden dan die van de PVV is niet aan de orde, de menselijkheid is erin gelegen dat je eerlijk bent over je motieven, over de toewijding waarmee je het handwerk benadert, en dat je daarop bevraagbaar bent. Dan maar geen zetelwinst. Dan maar een verliezer, een loser zijn. Maar dan heb je andere mensen wel de kans geboden om in vrijheid een keuze te maken, ook als die keuze voor jouw partij, of voor jou als persoon, dus ongunstig uitvalt.
Dit tonen van een visie, dit bespreekbaar maken van een visie, van motieven, is net zo hard nodig als anderen het gevoel geven dat ze worden gehoord en gezien. Je kunt anderen helemaal niet geloofwaardig horen en zien en aandacht geven, als je zelf buiten schot blijft en jezelf niet kwetsbaar, zoekend en oefenend en lerend opstelt. Dat soort gezag is niet geloofwaardig. Het blijft ivoren toren gezag. ‘Gaat u maar door met uw leven, wij weten wat in deze situatie het beste, het meest menselijke voor u is.’ Dat is geen ensemblekunst, geen musiceren, en zeker geen dansen: dat is marionettenspel. Zonder God of gebod, maar de poppen dansen aan bijna onzichtbare touwtjes die de ene keer broederschap, de andere keer vrijheid, een derde keer gelijkheid en een volgende keer menselijkheid worden genoemd. Fijne, neutrale termen, die geruststellen en angst en achterdocht in juisten banen leiden. Zo lang de poppen zich maar niet gaan afvragen wie de mens is in de poppenspeler achter en boven het decor.
En of die nog wel in staat is om hun broeder, hun zuster, hun medemens te zijn.
Zowel in de Hanze als in de Moderne Devotie leefde een geest, daar begon ik mee, en daar wil ik mee eindigen. Een geest, een bezieling die altijd naar twee kanten toe dreigt te verdwijnen. Ofwel doordat hij ingeklonken wordt door formele wetten en regels, door wetenschap en theorie en techniek en dan stikt – ofwel doordat hij zó mooi wordt gevonden, zo verheven, zo heilig, dat hij de illusie inblaast dat mensen die zich door deze geest laten leiden al bijna goden zijn, die het volste recht hebben om andere mensen aan hun heilige missie te onderwerpen, waarbij ze die onderwerping uiteraard een bevrijding zullen noemen. Mindblowing zou je die verabsolutering van de geest kunnen noemen. Er is volgens mij maar één houding die zowel verstikking als verdamping kan voorkomen: een houding van toewijding. En die begint ermee dat ik niet uitga van dat, wat ik de wereld te bieden heb, maar eerst al de vragen van andere mensen kan horen.
Die begint ermee dat ik de ander niet zie als iemand die mij nodig heeft, maar eerst al durf te bekennen hoezeer ik anderen nodig heb.
Die begint ermee dat ik niet achter mijn bureau, met een stapel mooie filosofische boeken voor me, en de bijbel, en een gebedenboek, en hemelse muziek op de achtergrond, een prachtig concept van menselijkheid opstel om mezelf daarna keurig aan die leefregels te houden en ze desgevraagd met anderen te delen: het begint ermee dat ik de straat opga, de stad inga, en niet mijn ambachtelijke, ‘eerlijke’ biologische speltbrood koop bij Albert Heijn, maar bij de bakker op de hoek. Waar ik moet wachten op mijn beurt, waar ik mensen in actie zie, waar ik gesprekken hoor en aan gesprekken deelneem en nog wat extra’s koop, omdat het lekker is en omdat ik hoop dat de oude, gezellige zaak niet wordt weggeconcurreerd door de grote supermarkten. Eerlijkheid hoeft niet in koeienletters op een fabrieksproduct te staan, zoals goede wijn geen krans behoeft. Kleinschaligheid is mij groot genoeg. De menselijke maat is de enige maat die past en warmte biedt.
Toewijding bestaat niet zonder dat anderen je telkens weer opnieuw inwijden.
De mens bestaat niet. Er bestaan mensen. Ze zijn me niet allemaal lief, zoals ook niet iedereen in een grote familie van al zijn broers en zussen evenveel houdt. Maar ik wil me wel laten kennen en mezelf blijven oefenen in het worden van een medemens. Daar heb ik de hele wereld bij nodig én de actualiteit in de krant, en in mijn eigen wijk. En een goed gehoor, en handen en voeten die kunnen dansen, desnoods op de vulkaan of op het slappe koord. Maar altijd in een ensemble. Een gezelschap van beginners, die zelfs als ze prof zijn, nog materclasses nodig hebben om de toegewijde amateur in hen niet te laten verkommeren door kennis en techniek en een roemrijke staat van dienst.
Het leuke aan mens-worden is, dat je er nooit klaar mee bent.
Dat kun je van menszijn niet zeggen.

Désanne van Brederode

Thomaslezing in de Grote Kerk in Zwolle

19 november 2015

Moderne Devotie

is NEDERLANDS IMMATERIEEL  ERFGOED 

 

      

Nieuwe boeken  
 
oktober 2018
 
 
 
De laat-middeleeuwse Moderne Devotie (veertiende-vijftiende eeuw) staat equivalent aan vernieuwing van het geestelijk leven in de Lage Landen aan de vooravond van de Reformatie en aan de drie latere ontwikkelingen die daaruit zijn voortgekomen: het protestantisme, het humanisme en de zestiende-eeuwse binnenkerkelijke hervorming binnen de Rooms-Katholieke Kerk.
 
 
 
december 2018
 

Bij KokBoekencentrum is de Dialoog met novicen1 van Thomas Kempis uitgekomen, vertaald en ingeleid door Frank de Roo. Het is de eerste keer dat een Nederlandse vertaling van dit werk verschijnt.

 

 

Prof. dr. Frits van Oostrom en de  Moderne Devotie  

25 jaar jublileum St.Thak cor 003

Frits van Oostrum en Mariska  van Beusichem

foto Bert Pierik

Prof. dr. Frits van Oostrom pleit met betrekking tot de Moderne Devotie voor een tot de verbeelding sprekend onderzoeksproject, met Europese uitstraling. En nog meer is hij voor plaatsing van de Moderne Devotie op de  de lijst van Nederlands Immaterieel Erfgoed

Voor zijn lezing en zijn stevige conclusies (blz. 12)  Klik hier

 

Citaat van Thomas a Kempis:

Probeer geduldig andermans gebreken te verdragen; je bent zelf ook niet volmaakt, en anderen moeten met jouw tekortkomingen leven.

 

Thomas a Kempis video Windesheim Honours College

 https://youtu.be/PkVBGpM4c30

 

Navolging van Christus als luister boek:

https://librivox.org/de-navolging-van-christus-by-thomas-a-kempis/

 

 

Op de weg naar de eregalerij van het Rijksmuseum met o.a. de
Nachtwacht van Rembrandt, het Melkmeisje en Gezicht op Delft van
Vermeer, is een glas-in-loodraam waarop Thomas a Kempis is
afgebeeld. In het voorportaal van de eregalerij staat hij prominent
naast Plato in gebrandschilderd glas. Zijn boekje ‘De Imitatio’ houd hij
geopend in zijn rechterhand, met zijn linkerhand wijst hij naar boven.

 

 

 

Glossy 'THOMAS'

Thomas rood

Ter ere van het 25-jarig jubileum heeft de stichting een glossy uitgebracht, getiteld 'THOMAS'.

Verkrijgbaar in de boekhandel en bijv. bij BOL.COM.

Lees hier meer over Glossy THOMAS

Moderne Devotie, trefzekerheid ten opzichte van het gewone, juistheid in ons oordelen en correctheid in ons gedrag

(uit teksten van Emile Gemmeke, 0.Carm.)

RAPIARIUM

 

1994 Rapiarium nr 20 allerlaatste

Bijna 20 jaar oud, maar nog net zo actueel

als de 'Navolging'.

Zie rubriek Thomas >> Literatuur