Dr. Kick Bras - Jan van Ruusbroec

JAN VAN RUUSBROEC, vriend van Geert Grote

 

We weten niet zoveel van het leven van Jan van Ruusbroec. De bronnen die ons hier iets over vertellen zijn gering in aantal en niet altijd betrouwbaar. Zijn oudste biografie, geschreven door Jan van Schoonhoven, die hem nog persoonlijk gekend heeft, is verloren gegaan. En de biografie die we wel bezitten, van de hand van Henricus Pomerius, vertoont tezeer de trekken van een hagiografie, een geschrift dus dat uit was op de verheerlijking van Ruusbroec. Niettemin biedt het ons waardevolle informatie.

 

Zo leren we eruit dat Jan geboren werd in 1293 in een dorp genaamd Ruusbroec en dat hij in 1381 overleed in het klooster te Groenendaal. Al op jonge leeftijd, volgens Pomerius toen hij elf jaar oud was, komt Jan in Brussel, (hier een plattegrond van Brussel in de 15e eeuw) waar hij in huis woont bij een familielid, de kanunnik Jan Hinckaert.

Over zijn opleiding weten wij weinig, maar hij moet de kapittelschool hebben doorlopen van de St. Goedele Kerk en een priesteropleiding hebben gehad. Toen hij 24 jaar was, werd hij priester gewijd. Hij werd als vicarius en later kapelaan verbonden aan de St. Goedele Kerk. Hier zien we een standbeeld van Ruusbroec uit 1917 in de kooromgang van Sint-Goedele.

Hij moet een ernstig en toegewijd werker geweest zijn die een open oog had voor de sociale en geestelijke noden vanzijn tijd. In zijn werken vinden wij daar veel voorbeelden van. De kerk verkeerde in grote problemen. Vanaf 1309 week de paus uit naar Avignon. Pas in 1377 keerde hij terug, maar toen werden er twee rivaliserende pauzen gekozen wat tot een schisma leidde. Er was een paus in Avignon en één in Rome. Van 1337 tot 1453 heerste bovendien de honderdjarige

oorlog tussen Engeland en Frankrijk, die veel ellende veroorzaakte, ook in Brabant. Verder woedde de pest in Europa. Een derde deel van de Europese bevolking stierf hieraan tussen 1346 en 1351. Hier een muurschildering over de pest.

Ruusbroec, een man van een diepe religieuze, ja mystieke, ervaring, voelde zich aangetrokken tot stromingen die het geestelijk leven wilden hervormen, zoals begijnen, kartuizers en clarissen. Hier een foto van begijnen. Zijn oudere weldoener Hinckaert streefde naar een hervorming van de clerus en vond in Jan een bondgenoot. Bij hen sloot zich een rijk en vooraanstaand geestelijke aan, Vranke van Coudenberg. De drie priesters woonden bij elkaar en vormden een hechte vriendenkring, die zich toelegde op gezamenlijk geestelijk leven als inspiratie voor hun kerkelijke arbeid.

Jan voelde zich gedrongen tot het schrijven van boeken in de landstaal, het diets. Hij wilde daarmee tegemoetkomen aan de vraag naar religieuze vernieuwing en begeleiding onder mensen die geen Latijn verstonden. Hij werd bovendien gedreven door wat hij zag als de verwording van het christendom door de geesteloosheid en het materialismev an de clerus en de kloosters. Veel mensen keerden zich daardoor af van de kerk. Ook waren er secten ontstaan die zich aan alle kerkelijke gezag en kerkelijke trouw onttrokken met een beroep op de eigen mystieke gedrevenheid. Verschillende binnenkerkelijke hervormingsbewegingen werden door de kerkelijke autoriteiten met argusogen bekeken en vaak zelfs tegengewerkt. Zo werd de begijnen- en begardenbeweging door verschillende concilies in 1274 en 1312 aan banden gelegd, werd de grote Duitse mysticus Eckhart in 1329 veroordeeld en vond de mystieke begijn Margareta Porete uit Valenciennes de dood op de brandstapel in 1310.

 

In deze penibele situatie wil Jan een weg wijzen naar vernieuwing van het kerkelijk leven vanuit innerlijke, mystieke gedrevenheid. Daarbij wil hij de eenzijdigheden van de anti-clericale mystieke bewegingen zoals die van de 'broeders van de vrije geest' bestrijden. Zijn eerste boek was dat Rike der ghelieven dat zonder zijn medeweten werd gecopieerd en waarvan een exemplaar later bij de kartuizers in Herne terechtkwam. Hij was daar niet zo blij mee, want hij vond dit werk nog niet echt geslaagd. Het was eerder bedoeld om voor hemzelf dingen helder te krijgen.

Waar hij wel tevreden over was, dat was zijn tweede boek: Die gheestelike Brulocht. Het is zijn meesterwerk. Men vindt in dit werk een uitgewogen uiteenzetting van heel zijn leer. Hier een handschrift ervan in de Latijnse vertaling van Surius, eind 14e eeuw en hier van de latijnse vertaling van Geert Grote, omstreeks 1500. Hij zal in die jaren te Brussel nog meer werken schrijven, en wel Vanden blinckenden Steen, Vanden vier becoringhen en Van den kerstenen ghelove.

Met de jaren voelden de drie vrienden zich steeds minder thuis in het Brusselse. De onverschilligheid waarmee men ter kerke ging, de luidruchtigheid van het leven in de stad en de ergerlijke levenshouding van vele collega's waren hun een doorn in het oog. Zij voelden zich geroepen om een kleine communiteit in de eenzaamheid te stichten en vonden een geschikte plek in het Zoniënwoud, even ten zuiden van Brussel. Zij kregen toestemming zich daar te vestigen en in 1343, toen Ruusbroec 50 jaar oud was, werd de nieuwe communiteit een feit. Spoedig sloten zich anderen bij hen aan. Omdat er kritiek kwam op het feit dat zij niet leefden volgens een bepaalde kloosterorde, sloten zij zich aan bij de orde van de reguliere kanunniken die leefden naar de regel van Augustinus. Daarmee was de stichting van de proostdij Groenendaal een feit. Hier een ets ervan uit 1647. Het geheel stond onder leiding van Vranke van Coudenberg en Ruusbroec werd benoemd tot prior. Later zal Groenendaal zich aansluiten bij het kapittel van Windesheim, de kloosterorde die ontstond uit de beweging van de Moderne Devotie, een vernieuwingsbeweging die sterk door de leer van Ruusbroec geïnspireerd werd en waarmee Groenendaal zich dus nauw verwant voelde.

Bijna veertig jaar heeft Ruusbroec in Groenendaal geleefd. Hij schreef er nog belangrijke tractaten, te weten Vanden seven Sloten, een Spieghel der eewigher salicheit, Van seven Trappen, Dat Boecsken der Verclaringhe, Vanden \gheesteliken Tabernakel en tenslotte Van den twaelf Beghinen. Ook zijn er nog enkele brieven van hem bewaard gebleven.

Gedurende die jaren werd Groenendaal een centrum waar veel bezoekers inspiratie zochten bij hun zoeken naar een nieuwe spiritualiteit. Zij werden daarbij vooral aangetrokken door de roem van de prior Ruusbroec, wiens geschriften gaandeweg steeds meer bekendheid kregen en verspreid werden tot in het Rijnland toe. Volgens Pomerius heeft zelfs de bekende Rijnlandse mysticus Johannes Tauler hem bezocht. Hier zien we een handschrift met preken van Tauler uit 1490.

Eén van degenen die Ruusbroec bezochten, was Geert Grote, de stichter van de Moderne Devotie. Hij had tijdens zijn verblijf bij de Kartuizers van Monnikshuizen bij Arnhem vast enkele tractaten van Ruusbroec gelezen. Toen hij na dat verblijf een reis ondernaam naar Parijs, deed hij ook Groenendaal aan. Pomerius vertelt ons, dat hij veel waardering had voor Ruusbroecs boeken, maar dat hij ze tegelijk wel erg gewaagd vond. Hier volgt zijn relaas:

 

Magister Geert bleef dus enkele dagen met zijn gezel, magister Jan, in Groenendaal.

Omdat hij in de boeken van de vrome prior een uitspraak tegengekomen was die althans

volgens hem en vele anderen scheen af te wijken van het ware geloof, ontstelde hij hierover.

En in het bijzijn van zijn gezel waagde hij het de prior op vertrouwelijke toon te ondervragen

en zei: "Pater prior, ik verwonder er mij niet weinig over dat U zulke diepzinnige dingen

durft neerschrijven. U jaagt hierdoor veel mensen tegen U in het harnas die uw leer

belasteren." Maar toen de zachtmoedige, nederige prior deze woorden gehoord had,

antwoordde hij: "Magister Geert, wees ervan overtuigd: nooit heb ik één woord in mijn

boeken geschreven, tenzij onder ingeving van de Heilige Geest." … En als een profeet

voegde hij eraan toe: "En u, magister Geert, u zult de waarheid hiervan die nu nog voor u

verborgen is, binnenkort verstaan, maar uw gezel, magister Jan, zal het in dit leven nooit

verstaan." Magister Geert bemerkte nu dat de prior aan zijn mening vasthield en dit vervulde

hem met diepe eerbied en bewondering voor zijn woorden. In het vervolg twijfelde hij niet

in het minst meer aan de orthodoxie van al zijn geschriften, hoe dubieus ze hem ook

toeschenen op het eerste gezicht.

 

Toch was de werkelijkheid niet zo mooi als Pomerius laat voorkomen. Grote was inderdaad een bewonderaar van Ruusbroec, maar bleef op bepaalde punten bedenkingen hebben bij geschriften van Ruusbroec. Zo vertaalde hij de Brulocht, van seven trappen en een spiegel der eewiger salicheit in het Latijn, maar in een brief aan Ruusbroec over diens geschrift Vanden XII beghinen maakt hij bezwaar tegen wat Ruusbroec beweert over de invloed van de planeten op de menselijke ziel . En in een brief aan de gemeenschap van Groenendaal raadt hij aan om de tekst van de Brulocht aan te passen in verband met kritiek van theologen. En ook raadt hij aan om de middel-nederlandse tekst van de Trappen pas te laten verspreiden na aanpassing van de tekst. Verdeyen schrijft dan ook:

 

Enerzijds had hij een diepe eerbied en bewondering voor de mysticus en anderzijds gaf hij voortdurend kritiek op de taal en de bewijsvoering van de auteur. Toen de Brulocht werd aangevallen, voelde hij zich persoonlijk geraakt en nam de verdediging op zich van wat daarin geschreven stond. Maar tegelijk wees hij zijn Groenendaalse vrienden voortdurend op de noodzaak van een tekstherziening. Hij bood zijn goede diensten aan, om hen hierbij behulpzaam te zijn. Ook andere traktaten wou hij graag eerst 'verbeteren' eer zij het grote publiek zouden bereiken.’

En hij voegt daaraan toe:

Hoe is dit voorbehoud te verklaren bij een zo grote vriend en bewonderaar? Dom J. Huijben o.s.b. gaf hierop het volgend antwoord: "Ruusbroec en Groote staan tegenover elkaar als de verpersoonlijking van twee tegenovergestelde geestesrichtingen. De Brabantse mysticus is in vele opzichten de man gebleven van de Middeleeuwen: zijn blik is gericht op het onzichtbare, in de vaste overtuiging dat er veel meer waarheid en werkelijkheid schuilt in wat we niet zien dan in wat ons oog ontwaart. Groote, integendeel, kondigt reeds de moderne tijden aan: hij eist vóór alles een trouwe weergave der stoffelijke realiteit en voelt weinig voor symboliek en hoge bespiegelingen."

Gert Warnar geeft een analyse van het verschil tussen Grote en Ruusbroec die hier wel wat op lijkt. Hij schrijft:

Deze hechtte veel meer dan Ruusbroec aan de letter van de theologie. Dat was wellicht het gevolg van Grotes academische achtergrond, maar zijn vreesachtigheid was allereerst een kwestie van persoonlijke voorkeur.
Hij bouwde zijn heilsverwachting liever op de collectieve grondslagen van de christelijke leer dan dat hij vertrouwde op Ruusbroecs individuele theorieën over een begenadigd geloofsleven. Bovendien zag Geert Grote het als een buitengewoon ongelukkige omstandigheid dat Ruusbroec in het Middelnederlands schreef. De vroege ideologen van de Moderne Devotie hadden grote bezwaren tegen boeken over theologie in de taal van de (onoordeelkundige) leek.

Het leidde tot een ambivalente houding tegenover mystieke spiritualiteit in het algemeen en Ruusbroecs teksten in het bijzonder. Tekenend voor Grotes gemengde gevoelens was zijn vertaling van de Brulocht in het Latijn. Niet alleen hevelde hij daarmee Ruusbroecs mystiek over naar de wereld van geleerden, maar ook deed hij nog zijn best allerlei mogelijk gewaagd overkomende uitlatingen te matigen’ (a.w., 220).

 

Verdeyen zegt er dit over:

Groote groeide op in een totaal andere intellectuele omgeving dan de Brabantse kapelaan. Maar deze twee grote geesten verschilden niet alleen op intellectueel niveau. Ook hun religieuze instelling en hun godservaring was totaal verschillend. Voor Ruusbroec was God een bron van vreugde en licht en het geestelijk leven leek hem een vredige opgang naar het paradijs. Groote bleef de bekeerling die zijn wereldse carrière opgaf, om door boete en versterving het eeuwig leven te waarborgen. ‘

 

Of dit zo is? In elk geval geeft Pomerius die indruk in het navolgende verslag van één van Geerts bezoeken aan de oude mysticus:

 

'Magister Geert bezocht de vrome prior bij tussenpozen. Eens had hij besloten wat langere tijd in Groenendaal te verblijven om zijn geest die in het duister gehuld was even onder het licht van de waarheid te stellen en zijn brandend gemoed te laten verkwikken door de kracht van de liefde. Nu gebeurde het na veel vertrouwelijke gesprekken met elkaar gevoerd te hebben, dat het magister Geert toescheen dat de vrome prior niet genoeg de vreze Gods bezat. De minne Gods had hem zo overweldigd dat het hem om het even was te leven of te sterven om de Naam van Christus.
Ja, zelfs verkoos hij de hemelse vreugden niet boven de helse straffen tenzij voor zover Gods wil dit voor hem beschikte. De magister, die meer verwond was door de prikkels van de vrees dan door de vonken der liefde, verbaasde zich ten zeerste over deze en dergelijke uitlatingen. Om iemand met zulke opvattingen vrees aan te jagen begon hij in een gesprek de prior terecht te wijzen met een beroep op talrijke schriftuurplaatsen met krachtige beweringen: hij
rekende te veel op Gods barmhartigheid, als hij de straffen van de hel niet vreesde. Maar de prior verdroeg met \nederigheid deze woordenvloed en hoe ijveriger de magister hem de vreze des Heren wou inprenten, des te heviger laaide in hem het vuur van de goddelijke minne. Toen zweeg hij een tijdje en antwoordde dan: "Magister Geert, wees ervan overtuigd: tot nu toe word ik door géén vrees verontrust; maar ik ben bereid met gelijkmoedigheid alles te verdragen wat de Heer over mij beschikt, zowel in dit leven als na de dood. Want ik denk dat er mij niets beters,
niets heilzamers en niets vreugdevollers kan overkomen en daarom verlang en begeer ik niets anders dan dat Hij mij altijd bereid vindt om zijn wil te volbrengen.i

 

Of deze kleine anecdote op waarheid berust en ons een juist beeld geeft van de verschillen tussen Jan van Ruusbroec en Geert Grote weten we niet. Terwijl Warnar vooral de kritische distantie van de moderne devoten tegenover de mystiek van Ruusbroec benadrukt, is Rudolf van Dijk veel positiever. Volgens hem heeft de moderne devotie zowel uit de bron van de Brabantse mystiek als uit die van de rijnlandse mystiek geput en deze beide geïntegreerd (Van Dijk, 248). En ook is toch onomstotelijk, dat de moderne devotie een heel belangrijke rol heeft gespeeld bij de verspreiding van Ruusbroec werken.

Tegenwoordig wordt de mystieke inspiratie in de moderne devotie weer meer belicht en dus ook de positieve houding van Grote jegens Ruusbroec. Grote schrijft bijvoorbeeld dat de goede en heilige prior niet minder werd geïnspireerd door de H. Geest als de grote kerkleraar paus Gregorius de Grote (Verdeyen, 77). Pomerius’ anecdote geeft dus wellicht een vertekend beeld van de verhouding tussen Ruusbroec en Grote. Maar wel krijgen we inzicht in de persoonlijkheid van Jan van Ruusbroec.

Veel weten we niet van hem. Hoe hij was als persoon en hoe hij zelf het geloof beleefde moeten we tussen de regels van zijn eigen werken doorlezen. Maar die geven ons een indruk welke Pomerius in dit korte fragment schetst: een milde persoon die leefde vanuit een fundamenteel vertrouwen in en volkomen overgave aan de liefde van God. Hoewel hij in zijn werken blijk geeft van een scherpe kijk op maatschappelijke en kerkelijke misstanden en dan geen blad voor de mond neemt, is de teneur van zijn werk positief, mild, gericht op het licht, op de positieve groeimogelijkheden van de liefde. De minne is het sleutelwoord van heel zijn werk. Liefde tot God en liefde tot de naaste die beide één zijn in het ghemeyne leven van hem die zich door de liefde van God heeft laten omvormen. Op dit specifieke punt van het gemene leven wil ik nog wat nader ingaan, omdat die ook in de beweging van Geert Grote zo’n grote rol speelde. Op zich is deze term een vertaling van vita communis, een term waarmee men vanouds de vroeg-christelijke gemeente zoals die in de Handelingen der Apostelen beschreven staat aanduidde.

Dit gemeenschappelijke leven, waarbij men alles met elkaar deelde, was een blijvend ideaalbeeld voor alle vernieuwingsbewegingen in de geschiedenis van het christendom. Maar bij Ruusbroec krijgt het een specifieke betekenis, die te maken heeft met de eenheid van inkeer in God en uitkeer tot de medemensen. Er is voor Ruusbroec een onverbrekelijke eenheid tussen binnen en buiten. En daarbij heeft 'het buiten' eigenlijk nog een beetje een voorsprong op 'het binnen'.

Want men kan wel als goed mens in de wereld leven zonder de innerlijke weg te gaan, maar men kan niet de innerlijke weg gaan als men niet goed leeft in de wereld. Goed leven in de wereld is de eerste voorwaarde voor het gaan van de innerlijke weg. Als Ruusbroec (bijvoorbeeld in de Brulocht) de weg schetst van een mens met God, dan begint hij in het actieve, het werkende leven. Dan legt hij eerst het fundament van de dagelijkse bekering,

van de nederigheid en naastenliefde, de zelfbeheersing en de zachtmoedigheid. Als je hier geen ernst mee maakt, hoef je niet eens te beginnen aan de innerlijke weg, want dan ben je van binnen al volkomen geblokkeerd.

Geloven van buiten is dus in zijn ogen een sine qua non voor geloven van binnen. Ik denk dat Ruusbroec en Grote elkaar hier helemaal in konden vinden. Er wordt wel eens gezegd dat de Moderne Devotie vooral een ascetische beweging was en niet zozeer een mystieke, maar Van Dijk heeft overtuigend aangetoond dat dit niet geldt voor Geert Grote en voor de vroege jaren van de Moderne Devotie. De weg naar binnen wordt zowel bij Ruusbroec als bij de moderne devoten gezien als een weg van steeds intensere betrokkenheid bij het wel en wee van de medemens, het is een weg van steeds grotere compassie. En dat komt omdat de weg naar binnen een weg is van het' sonderlinghe' leven naar het "ghemeyne’ leven , om twee termen van Ruusbroec te gebruiken.

 

Wat is het' sonderlinghe' leven? Dat is het leven van het afgescheiden individu, van de mens die niet leeft in eenheid met het al, maar die zichzelf plaatst tegenover de werkelijkheid op een manier die geen gemeenschap sticht, maar verbondenheid afbreekt.

Het is de mens die zijn eigen ego in het centrum plaatst en alles daaraan ondergeschikt maakt. Ruusbroec laat zien hoe geraffineerd dit ego ons aller gedrag bepaalt. Soms uit het zich in grof egoïsme, maar het kan zich ook heel subtiel botvieren in een uiterlijk menslievend en vroom leven. Dit ego is niet onze diepste kern. Wij zijn zo niet gemaakt en bedoeld. In diepste wezen zijn wij beeld van God. En als wij de weg naar binnen gaan, worden wij door de Geest van God ook steeds meer getransformeerd naar het beeld van de Zoon, worden wij steeds meer beeld en gelijkenis van God. En God, zegt Ruusbroec, is geen superego, maar God is ghemeyn. De mens die de weg naar binnen gaat krijgt daar oog voor, zegt hij. Misschien mag ik eens een wat langer citaat geven, dat ik in modern Nederlands vertaal.

 

'De onbegrijpelijke rijkdom en hoogte en voortvloeiende milde "gemeenheid" van de goddelijke natuur brengt de mens in een staat van verwondering. En in het bijzonder verwondert deze mens zich over de ''gemeenheid'' Gods en zijn uitvloeien boven alle dingen. Want hij ziet het onbegrijpelijke Wezen als een "gemeen" genieten van God en alle heiligen, en hij ziet de goddelijke Personen als een "gemeen" uitvloeien en werken ... in alle redelijke en onredelijke of materiële schepselen, naar elks waardigheid, behoefte en ontvankelijkheid ... God is "gemeen" met al zijn gaven. De engelen zijn ''gemeen''. De ziel is ''gemeen'' in al haar krachten en in geheel het lichaam en alle leden. Zo is God voor iedereen in het bijzonder alles, en toch "gemeen" aanalle schepselen. Want door hem zijn alle dingen en in hem en aan hem hangen hemel en aarde en heel de natuur.

( Brulocht, B 1083-1102)'

 

God is dus geen afgescheiden individu, maar hij stort zichzelf uit in alle dingen, is ieder mens even nabij, en dat niet op een abstracte manier, maar heel persoonlijk. En de mens die deze nabijheid Gods, dit inwonen van God in alle dingen, dus ook in hemzelf, toelaat, zich eraan toevertrouwt, die wordt zelf een 'gemeen' mens, een mens die verbonden is met de wereld om hem heen. En de band die hem verbindt noemt Ruusbroec de ghemeyne minne.

Zo ziet Ruusbroec de minne als een dynamisch geheel rondom de polen van inkeer tot God in genietende minne en uitvloeien tot de medemensen in 'gemene' minne.
Om hem nog één keer te citeren: 'Altijd zullen wij met God blijven in de eenheid en met God en alle heiligen eeuwig uitvloeien in "gemene" minne, en altijd weer inkeren met dankbaarheid en lofzegging en in genietende minne onszelf verliezen in wezenlijke rust.'

Navolging van Christus

Dit 'gemene leven', zoals Ruusbroec het noemt, is navolging van Christus. Want Christus is 'gemeen' geweest en heeft ons een voorbeeld ter navolging geboden. Deze navolging betekent ook: kruis dragen achter Christus aan. En dit kruis dragen brengt lijden met zich mee. Dit lijden is niet in tegenstelling met de vreugde die men innerlijk ervaart in de eenheid met God, maar is er een uitvloeisel van. Want Christus is niet alleen de Verrezene die leeft in genietende eenheid met God, maar hij is ook altijd nog de lijdende knecht van de Heer. Daarom is er in de mystieke traditie een onlosmakelijke eenheid tussen genietend verzonken zijn in God en lijdende solidariteit met de lijdende mensheid. Dit is wat Ruusbroec noemt het ‘gemene leven’. En daarvan nog dit citaat:

 

De mens die uit deze hoogte van God neergezet wordt in de wereld is vol waarheid en rijk aan deugden. Hij zoekt niet zijn eer, maar de eer van hem die hem gezonden heeft. Daarom is hij rechtvaardig en waarachtig in alle dingen. Hij heeft een rijke, milde grond die gefundeerd is op de rijkdom Gods. Daardoor moet hij altijd uitstromen in al degenen die hem nodig hebben.

Want de levende fontein van de heilige Geest is zijn rijkdom en deze kan men nooit uitputten ... Hierdoor heeft hij een 'gemeen' leven, want schouwen en werken gaan hem beide even gemakkelijk af en in beide is hij volkomen’ (WIII, 41)

 

Dat ik hier de term ‘navolging van Christus’ laat vallen, is om opnieuw de continuïteit tussen de Brabantse mysticus en de Moderne Devotie te tonen. Verdeyen heeft aangetoond hoeveel invloed er van Ruusbroec te vinden is in het beroemdste boek van de Moderne Devotie, De Navolging van Christus. Maar hierop in te gaan zou ons te ver voeren. Vanavond ging het alleen om Ruusbroec en diens verhouding tot Geert Grote.

 

Guido de Baere heeft in een artikel verbanden laten zien tussen de manier waarop Ruusbroec over het ‘gemeine leven’ sprak en waarop Grote dat deed. Hij baseert zich op twee teksten van Grote. De eerste is een tekst uit De quattuor generibus meditabilium, de tweede een fragment uit een brief van Grote aan Wilhelmus de Salvarvilla. In beide teksten citeert hij Johannes 10: 9 over de schapen van de goede herder die uitgaan en ingaan en weide vinden. Zijn gebruik van deze tekst komt overeen met de visie van Ruusbroec over het gemene leven, zoals hij die noemt in Vanden blinckenden Steen, maar vooral in het Boecsken der verclaringhe: Si selen met gode ebben ende vloeyen, ende altoes in besittene ende in ghebrukene ledich staen. Si selen werken ende ghedoeghen, ende in overwesene rasten sonder vaer. Si selen uutgaen ende ingaen, ende spise venden hier ende daer.

In het tractaat over de meditatie beschrijft Grote dat men wel beelden mag gebruiken bij de meditatie, maar dat men deze uiteindelijk los moet laten. (Zie Devotio Moderna, Basis writings, 98-118). ' Grote opent hier het perspectief op een passieve en radicale ontbeelding en neemt hiermee een van de belangrijkste voorwaarden tot het contemplatieve leven van Ruusbroec over' , aldus de Baere (a.a., 177). Toch worden de beelden niet vernietigd, maar getransformeerd, en dit wordt verduidelijkt met een beroep op Johannes 10: ingaan en uitgaan. De Baere concludeert:

 

De ontbeelding is voor Grote geen taak die de biddende mens op eigen kracht en eigen initiatief kan voltrekken. Hij kan alleen de ruimte vrijgeven waarin deze vereenvoudiging aan hem voltrokken wordt. Met Ruusbroec op de achtergrond mag men zeggen dat de ontbeelding voor Grote een specifiek mystiek gebeuren is.

 

De ontbeelding is niet een proces dat eens voorgoed plaatsheeft en dan definitief stilvalt in een blijvende toestand van beeldeloosheid. Het is een permanent proces dat zich voortdurend voedt aan het beeld om boven het beeld uit te komen, dat voortdurend steun zoekt bij het beeld om zich tegen het beeld af te zetten.

 

Deze harmonie van beeld en beeldeloosheid brengt Grote zeer dicht bij het thema van de "ghemeine mensche" volgens Ruusbroec. De vanzelfsprekende synthese van rusten en werken komt bij Grote te voorschijn als de harmonie van beeldeloos schouwen en beeldrijk mediteren

 

In de bief aan Salvarvilla gebruikt hij ingaan en uitgaan uit Johannes 10 als beeld voor de contemplatie van de godheid van Jezus en het actieve leven, dus als beeld van de harmonie van contemplatie en actie. Hier staat Grote dus dicht bij Ruusbroec. Maar er is één significant verschil. Ook in het Boecsken der verclaringhe wordt het gemene leven uitgedrukt in termen ontleend aan Johannes 10. Maar daar hanteert Ruusbroec een drieslag: uitgaan, ingaan en weide vinden. En dat is bij Ruusbroec beeld van rusten in de godheid zonder enig onderscheid tussen God en mens. Dit laatste neemt Grote niet over. De Baere zegt er dit over: ' Grote blijft buiten de speculatieve breedte en diepte van Ruusbroec en vermijdt de beschrijving van een mystieke eenheid die heterodox zou kunnen klinken' (a.a., 182).

Ook de bekende kenner van de Moderne Devotie mevrouw Epiney-Burgard brengt de visie op het ' gemeinsame Leben' van Grote in verband brengt met Ruusbroec en zij vergelijkt de tekst die wij al lazen uit het Rijcke der ghelieven, Werken 1, 87 over Christus die gemeen is met een tractaat van Grote, die Psalm 133:1 citeert: en dan de volgende woorden schrijft:

 

Unde de gheselscop is so blide o gader te biddene...unde eens to voelen, eens to smakene unde eens to willen in gode, wo blidelijc ende geistlic sijn alle dinge... Dese geselscop, dese bruderscap, of zusterscap, dese ghemeynscap, dese vrentscap, dese communicatio unde hulpscap, dese levene, dese state, dese ambochte, dese oefenisse, dat sijn geistlike dinge. (De Simonia ad beguttas, ed. W de Vreese, Den Haag 1940, 27).

En zij concludeert: Gemeinsames Leben wird also als Mitteilung und Verteilung irdischer und geistiger Güter betrachtet, sowie Teilnahme an Gottes Wesen' (a.a., 125).

Jan van Ruusbroec stierf op 2 december 1381. Na zijn dood werd hij door tallozen vereerd en uiteindelijk in 1908 zaligverklaard.
Zijn mystieke leer heeft een blijvend stempel gezet op de spiritualiteit in de Nederlanden en heeft door de vertaling van zijn werken in het Latijn grote invloed uitgeoefend in heel Europa, ook bij protestanten. Een voorbeeld is de uitgave van zijn werken door de Duitse protestantse piëtist Gottfried Arnold, waarvan hier een afbeelding. Hij is één van de grootste geestelijke leiders van de Nederlanden en wordt door velen beschouwd als de grootste mystieke auteur die onze landen hebben opgeleverd, ja, als één van de grootste mystieke auteurs van heel de christenheid. Hij was voor Geert Grote een belangrijk inspirator en de Moderne Devoten hebben de werken van Ruusbroec veelvuldig verspreid.

 

Literatuur

Devotio Moderna, Basis writings (Tha Classics of Western Spirituality) New York 1988

Geraert van Saintes, Hendrik Utenbogaerde, De twee oudste bronnen van het leven van Jan van Ruusbroec door zijn getuigenissen bevestigd (Serie mystieke teksten met commentaar, 4), Abdij Bethlehem Bonheiden 1981, 105, 106.

Guido de Baere, ' Het "ghemeine leven" bij Ruusbroec en Geert Grote' in: Ons Geestelijk Erf, 59 , 1985, 172-183

Rudolf van Dijk, Twaalf kapiittels over ontstaan, bloei en doorwerking van de Moderne Devotie, Hilversum 2012

G. Epiney-Burgard ' Geert Grotes Anliegen' in: Ons Geestelijk Erf, 59 , 1985, 117-129

Paul Verdeyen, Jan van Ruusbreoc. Mystiek licht uit de middeleeuwen, Leuven 1996

Geert Warnar, Ruusbroec, literatuur en mystiek in de veertiende eeuw, Amsterdam 2003

i

Contact

 

Secretariaat: 

Zuiderpad  31
8355 CC Giethoorn
Tel: 0521 36 24 52

Of Stuur een e-mail naar het secretariaat

Rekeningnummer:
ING 09INGB0002445713  t.n.v. Stichting Thomas a Kempis, Zwolle

Stichting Thomas a Kempis bezit een ANBI-verklaring.

 

 

Moderne Devotie

is NEDERLANDS IMMATERIEEL  ERFGOED 

     

Nieuwe boeken  
 
oktober 2018
 
 
 
De laat-middeleeuwse Moderne Devotie (veertiende-vijftiende eeuw) staat equivalent aan vernieuwing van het geestelijk leven in de Lage Landen aan de vooravond van de Reformatie en aan de drie latere ontwikkelingen die daaruit zijn voortgekomen: het protestantisme, het humanisme en de zestiende-eeuwse binnenkerkelijke hervorming binnen de Rooms-Katholieke Kerk.
 
 
 
december 2018
 

Bij KokBoekencentrum is de Dialoog met novicen1 van Thomas Kempis uitgekomen, vertaald en ingeleid door Frank de Roo. Het is de eerste keer dat een Nederlandse vertaling van dit werk verschijnt.

 

 

Prof. dr. Frits van Oostrom en de  Moderne Devotie  

25 jaar jublileum St.Thak cor 003

Frits van Oostrum en Mariska  van Beusichem

foto Bert Pierik

Prof. dr. Frits van Oostrom pleit met betrekking tot de Moderne Devotie voor een tot de verbeelding sprekend onderzoeksproject, met Europese uitstraling. En nog meer is hij voor plaatsing van de Moderne Devotie op de  de lijst van Nederlands Immaterieel Erfgoed


Voor zijn lezing en zijn stevige conclusies (blz. 12)  Klik hier

 

 

Citaat van Thomas a Kempis:

Probeer geduldig andermans gebreken te verdragen; je bent zelf ook niet volmaakt, en anderen moeten met jouw tekortkomingen leven.

 

Thomas a Kempis video Windesheim Honours College

 https://youtu.be/PkVBGpM4c30

 

Navolging van Christus als luister boek:

https://librivox.org/de-navolging-van-christus-by-thomas-a-kempis/

 

 

Op de weg naar de eregalerij van het Rijksmuseum met o.a. de
Nachtwacht van Rembrandt, het Melkmeisje en Gezicht op Delft van
Vermeer, is een glas-in-loodraam waarop Thomas a Kempis is
afgebeeld. In het voorportaal van de eregalerij staat hij prominent
naast Plato in gebrandschilderd glas. Zijn boekje ‘De Imitatio’ houd hij
geopend in zijn rechterhand, met zijn linkerhand wijst hij naar boven.

 

 

 

Glossy 'THOMAS'

Thomas rood

Ter ere van het 25-jarig jubileum heeft de stichting een glossy uitgebracht, getiteld 'THOMAS'.

Verkrijgbaar in de boekhandel en bijv. bij BOL.COM.

Lees hier meer over Glossy THOMAS

Moderne Devotie, trefzekerheid ten opzichte van het gewone, juistheid in ons oordelen en correctheid in ons gedrag

(uit teksten van Emile Gemmeke, 0.Carm.)

RAPIARIUM

 

1994 Rapiarium nr 20 allerlaatste

Bijna 20 jaar oud, maar nog net zo actueel

als de 'Navolging'.

Zie rubriek Thomas >> Literatuur